Cushing-syndroom bij honden
Hoe een cortisoloverschot het lichaam van je hond sluipend ondermijnt
Het cushing-syndroom (hyperadrenocorticisme) is een endocriene aandoening waarbij het lichaam structureel te veel cortisol aanmaakt. Deze pagina biedt een klinisch overzicht van de diagnose en behandeling.
Wil je eerst een toegankelijke inleiding? Lees dan ook onze algemene pagina over cushing bij honden.
Vormen van het cushing-syndroom
Er worden drie vormen onderscheiden, elk met een eigen ontstaansmechanisme:
- Hypofyseafhankelijk (PDH): een micro- of macro-adenoom in de hypofyse produceert overmatig ACTH, wat de bijnieren aanzet tot continue cortisolproductie. Dit is de meest voorkomende variant (80 tot 85 procent van de gevallen). Rassen met een verhoogd risico zijn onder meer de poedel, beagle en diverse terriers.
- Bijnierafhankelijk (ADH): een adenoom of carcinoom in de bijnierschors produceert autonoom cortisol, los van ACTH-sturing vanuit de hypofyse. Dit komt voor bij 15 tot 20 procent van de patienten. De Duitse herder en grote rassen worden iets vaker getroffen.
- Iatrogeen: langdurige toediening van glucocorticoiden (zoals prednisolon of dexamethason) leidt tot exogene cortisoloverdaad. Deze vorm is reversibel na geleidelijke afbouw van de medicatie.
Symptomen
Het cortisoloverschot treft vrijwel elk orgaansysteem. De klassieke symptomen zijn:
- Polyurie en polydipsie: sterk verhoogde urineproductie en dorst, vaak het eerste signaal dat baasjes opvalt
- Polyfagie: overdreven eetlust
- Abdominale distentie: een opgezette, hangende buik door vetredistributie en spierzwakte
- Dermatologische veranderingen: symmetrische alopecia, dunne en fragiele huid, hyperpigmentatie en calcinosis cutis (kalkneerslagen in de huid)
- Spieratrofie en zwakte: moeite met opstaan, traplopen of springen
- Verhoogde vatbaarheid voor infecties: terugkerende urineweginfecties en huidinfecties door immunosuppressie
- Hijgen in rust: door vetophoping rond de luchtwegen en spierzwakte van het diafragma
Het cushing-syndroom is een complexe aandoening die zorgvuldige diagnostiek en een individueel afgestemde behandeling vereist. Regelmatige monitoring is de sleutel tot een goed resultaat.
Diagnostiek
De diagnostische aanpak bestaat uit meerdere stappen:
- Screeningstests: urine-cortisol/creatinine-ratio (UC:CR), laagedosisdexamethasonsuppressietest (LDDS) en ACTH-stimulatietest. De LDDS is het meest gevoelig voor PDH; de ACTH-stimulatietest is onmisbaar bij verdenking op iatrogeen cushing.
- Differentiatietests: hogeedosisdexamethasonsuppressietest (HDDS) en endogeen ACTH-meting helpen bij het onderscheid tussen PDH en ADH.
- Beeldvorming: echografie van de bijnieren laat asymmetrie zien (eenzijdige vergroting bij ADH, bilaterale vergroting bij PDH). MRI of CT van de hypofyse is waardevol bij PDH, zeker wanneer bestraling of chirurgie wordt overwogen.
Houd er rekening mee dat geen enkele test 100 procent betrouwbaar is. De dierenarts combineert testresultaten met het klinisch beeld voor een definitieve diagnose.
Behandeling
De behandelkeuze hangt af van het type cushing en de algehele conditie van de hond:
- Trilostane: remt het enzym 3-beta-hydroxysteroid-dehydrogenase in de bijnierschors, waardoor de cortisolsynthese afneemt. Trilostane is de eerstekeusbehandeling bij zowel PDH als ADH. De startdosering wordt na tien tot veertien dagen geevalueerd via een ACTH-stimulatietest, afgenomen vier tot zes uur na toediening.
- Mitotane: veroorzaakt selectieve necrose van de bijnierschors. Effectief, maar het risico op een Addison-crisis (acute bijnierschorsinsuffucientie) is groter dan bij trilostane. Wordt vooral gebruikt wanneer trilostane onvoldoende werkt.
- Adrenalectomie: chirurgische verwijdering van de aangedane bijnier bij ADH. Potentieel curatief, maar een forse ingreep met risico op complicaties zoals trombose en bloeding.
- Hypofysectomie: verwijdering van de hypofysetumor. In Nederland beschikbaar in de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren in Utrecht. Bij succesvolle chirurgie is levenslange hormoonsuppletie nodig.
Monitoring en prognose
Honden op trilostane of mitotane moeten regelmatig worden gecontroleerd, aanvankelijk elke twee tot vier weken en na stabilisatie elke drie tot zes maanden. Monitoring omvat ACTH-stimulatietests, elektrolyten en klinische evaluatie.
Met adequate therapie is de mediane overleving bij PDH circa twee tot twee en een half jaar na diagnose, al leven veel honden aanzienlijk langer. Bij ADH met een goedaardig adenoom is de prognose na succesvolle adrenalectomie goed. Kwaadaardige bijniertumoren hebben een voorzichtiger prognose, vooral bij uitzaaiingen.
Cushing vraagt om een langdurige samenwerking tussen baasje en dierenarts. Met geduld, consequente medicatie en regelmatige controles kunnen de meeste honden een comfortabel en waardig leven leiden.
Cushing wordt bij sommige rassen vaker gediagnosticeerd. Rassen zoals de Poedel, Dalmatiër en Beagle worden in de veterinaire literatuur regelmatig in verband gebracht met deze aandoening.
Dit artikel is puur informatief en vervangt geen professioneel veterinair advies. Raadpleeg altijd een dierenarts bij gezondheidsklachten van je hond.
Meer over hormonale aandoeningen
Lees verder over gerelateerde endocriene ziekten bij honden.